Suikerziekte

Bij oudere katten komt regelmatig suikerziekte (diabetes mellitus) voor. Vooral de wat zwaardere dieren kunnen de ziekte ontwikkelen. Eén van de meest opvallende symptomen is veel drinken en plassen. De ziekte is meestal goed te behandelen, maar vergt wel wat inzet en toewijding van de eigenaren.

 

Wat is suikerziekte?

Katten met suikerziekte maken ofwel te weinig van het hormoon insuline aan, ofwel de cellen in hun lichaam zijn ongevoelig geworden voor insuline. Insuline zorgt voor de opname van suiker in de cellen. Bij een kat met suikerziekte komt de suiker dus niet in de cellen. De cellen krijgen geen brandstof en in het bloed zit te veel suiker. Deze suiker zuigt vocht uit te cellen. Dit suiker en vocht worden vervolgens uitgeplast.

Oorzaken van (een moeilijk te reguleren) suikerziekte
  • De belangrijkste oorzaak van suikerziekte bij katten is overgewicht en weinig bewegen.
  • Ook medicijnen als prednison en de poezenpil geven een verhoogde kans op suikerziekte.
  • Acromegalie komt bij een kwart van alle katten met suikerziekte voor (zie onder).
  • De ziekte van Cushing komt bij de kat minder vaak voor dan bij de hond. Deze ziekte heeft bij de kat met suikerziekte een slechte prognose.
  • Een alvleesklierontsteking kan ook leiden tot suikerziekte.
  • Poezen met suikerziekte kunnen het beste gesteriliseerd worden.
Acromegalie: suikerziekte die geneest na operatie

Onderzoek in Groot Brittannië heeft aangetoond dat ongeveer 25% van alle katten met suikerziekte een groeihormoon producerende tumor in de hypofyse (een klier in de hersenen) heeft. Als de kat (zo goed als mogelijk) is ingesteld met insuline, kan bloedonderzoek gedaan worden naar deze afwijking.

Als de groeihormoon- of IGF-1 waarden verhoogd zijn, is een CT scan van het hoofd de volgende stap. Hierop is te zien of de klier inderdaad vergroot is en hoe de tumor eruit ziet.

Katten met acromegalie kunnen geopereerd worden. Dit is een moeilijke operatie die maar weinig dierenartsen kunnen uitvoeren. De enige chirurg in Europa die de operatie uitvoert, werkt in Utrecht, bij de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren. Na de operatie verdwijnt in veel gevallen de suikerziekte. De insulinebehandeling kan dan worden gestopt. Omdat de hele hypofyse tijdens de operatie wordt verwijderd, en de hypofyse naast groeihormonen ook nog andere hormonen maakt, is het na de operatie wel noodzakelijk om deze hormonen via medicatie te gaan geven.

Symptomen

Katten met suikerziekte drinken en plassen heel veel. Ze hebben constant honger maar  worden toch mager. De kat voelt zich niet lekker, slaapt het grootste gedeelte van de dag, wast zich minder goed en krijgt een mottige vacht. Veel katten zijn, voordat ze ziek worden, te dik. Sommige katten krijgen problemen met hun zenuwen en gaan daardoor op hun hakken lopen in plaats van hun tenen.

Als de kat met suikerziekte niet wordt behandeld, wordt hij op een gegeven moment zo zwak, ziek en misselijk dat hij stopt met eten en drinken. In dit stadium gaan sommige katten ook braken. De kat ruikt soms anders (een beetje naar snoepjes). Deze toestand noemen we een ketoacidose, en moet meteen behandeld worden om te voorkomen dat de situatie nog slechter wordt.

Diagnose

De diagnose suikerziekte kan op verschillende manieren worden gesteld. Allereerst wordt een lichamelijk onderzoek gedaan, vervolgens kan direct een urine onderzoek en/of een bloedonderzoek worden gedaan. Bij katten die erg zenuwachtig zijn tijdens het bezoek, kan het zijn dat het suikergehalte in het bloed door de stress verhoogd is. Als er twijfel is of de hoge suiker door stress komt, of door suikerziekte, wordt er een extra bloedonderzoek gedaan, wat meer duidelijkheid geeft over hoe lang de suiker in het bloed al hoog is. Bij katten met stress zal deze waarde normaal zijn.

Behandeling

Katten met suikerziekte moeten allereerst tweemaal daags injecties met insuline krijgen. Insuline verlaagt de hoeveelheid suiker in het bloed. Daarnaast is een speciaal dieet belangrijk.

Insuline

Voor de behandeling van suikerziekte bij katten is Caninsulin® geregistreerd. Om te bepalen hoeveel insuline de kat moet krijgen, is herhaald bloedonderzoek nodig.

Insuline moet de rest van het leven van de kat, twee maal per dag worden gegeven, het liefst steeds op hetzelfde tijdstip. Ook in het weekend en tijdens vakanties. Het geven van insuline is niet moeilijk. Iedereen kan het leren. De persoon die het geeft, moet wel netjes werken.

Om te bepalen hoeveel insuline uw kat nodig heeft, moet bloed geprikt worden. Bij de meeste katten is het suikergehalte ongeveer 4 uur na de toediening van insuline op het laagste niveau, en dit is dan ook het moment om bloed te prikken. Hoe vaker u de hoeveelheid suiker in het bloed bepaalt, des te beter kan de suikerpatiënt worden ingesteld. Omdat stress de hoeveelheid suiker in het bloed kan verhogen, is het fijn als de eigenaar zelf bloed leert prikken. Dit is niet moeilijk. Bijna iedereen kan bloed leren prikken. Als de eigenaar het bloed prikken niet ziet zitten, zal de kat zeer regelmatig bij de dierenarts gecontroleerd moeten worden.

Dieet aanpassingen

Eten verhoogt de hoeveelheid suiker in het bloed.

Als uw kat gewend is om zelf te bepalen wanneer hij eet, (er staan altijd brokjes), dan mag dit zo blijven.
Eet uw kat in maaltijden, dan raden wij aan om de dagportie in tweeën te delen en uw kat dus twee maal daags te voeren. U kunt de insuline dan meteen na de maaltijd geven.

Voor katten met suikerziekte zijn verschillende speciale diëten in de handel. In deze diëten zitten meer eiwitten, en minder koolhydraten (suikers). Voorbeelden zijn Hill’s® MD, en Royal canin® diabetic. Als uw kat dit voer lekker vindt, is het verstandig om hier vanaf de eerste dag mee te beginnen. Als u later het dieet verandert, is het mogelijk dat de hoeveelheid insuline moet worden aangepast.

Beweging

Bewegen heeft invloed op de suikerregulatie. Veel katten met suikerziekte zijn, doordat ze lang te zwaar zijn geweest, lui geworden. Het is erg belangrijk om deze katten meer te laten bewegen. Bijvoorbeeld door met ze te spelen, of, als ze de hele dag kleine beetjes voer eten, wat voer te verstoppen op verschillende plaatsen, zodat ze moeten zoeken.

Andere behandelingen

Mensen met beginnende suikerziekte kunnen soms behandeld worden met een dieet en pillen. Deze manier van behandelen is ook onderzocht bij katten. De pillen zijn minder effectief en het gebruik daarvan wordt bij katten afgeraden.

Het doel van de behandeling

Het doel van de behandeling is dat u de hoeveelheid insuline en eten zo goed mogelijk op elkaar afstemt. Uiteindelijk zou de bloedsuikerspiegel zo goed als normaal moeten worden. Als het lukt om uw kat goed te behandelen, kan het zelfs zo zijn dat hij na verloop van tijd geen insuline meer nodig heeft (ongeveer 25% van de katten met suikerziekte ‘geneest’).

Hoeveel insuline

    • Te weinig insuline: uw kat krijgt klachten passend bij suikerziekte.
    • Precies de goede hoeveelheid insuline: uw kat eet en drinkt vrijwel normaal en heeft een goed leven.
    • Te veel insuline: de suikerspiegel wordt te laag (hypo). In het ergste geval kan uw kat hier aan overlijden.

Bloedonderzoek

Het suikergehalte (glucose) in het bloed meten we in “millimol per liter” (mmol/l). Het suikergehalte van de gezonde kat beweegt zich normaal tussen de 4 en 6 mmol/l. Het is bijna niet mogelijk om de suiker bij een suikerpatiënt zo goed te reguleren.

Omdat een laag suikergehalte op korte termijn gevaarlijker is dan een hoge waarde, streven we naar een laagste glucosewaarde tussen de 6 en 8 mmol/l. Een (groot) deel van de dag zal het glucosegehalte hoger zijn dan deze streefwaarde. Hoe beter het u lukt om de suiker tussen deze waarden te houden, hoe beter de levensverwachting.

Dagcurve

Sommige katten zijn erg lastig te reguleren, en reageren nauwelijks op de insuline. Door elke 2 uur de glucose te meten, krijgt u een beter inzicht in het verloop van de suikerspiegel, en kan de therapie daarop aangepast worden.

Als uw kat goed is ingesteld, is het observeren van uw kat erg belangrijk. Als uw kat goed op gewicht blijft en elke dag evenveel plast, is de situatie stabiel. Een bloedcontrole is dan niet zo vaak nodig als in het begin, al is het wel verstandig om minimaal eens per maand een controle te blijven doen.

Complicaties bij suikerziekte

Hypoglycemie of hypo

Bij een hypoglycemie, afgekort hypo, is het bloedsuikerpeil te laag. Het lichaam zal stresshormonen aanmaken: uw kat zal zenuwachtig worden, mogelijk een beetje trillen en uw kat zal op zoek gaan naar eten. Als het erger wordt kunnen ze zwak worden en door de pootjes zakken.

Als u zelf bloed prikt, is het fijn als u eerst bloed afneemt en daarna uw kat meteen eten geeft.
Als u zelf geen bloed prikt, geef uw kat dan te eten en overleg met de behandelend dierenarts.

Somogyi

Als het suikergehalte gevaarlijk laag wordt, gaat het lichaam zelf suiker aanmaken. Het suikergehalte in het bloed stijgt snel. Bij bloedonderzoek lijkt het, of de kat te weinig insuline krijgt. Dit is niet waar. Uw kat krijgt te veel insuline.
Als u de insuline dosering nog verder verhoogt, kan uw kat overlijden.

Oplossing: maak een dagcurve (zie boven)

Ketoacidose

Als uw kat geen of te weinig insuline krijgt, kan hij instorten. We noemen deze toestand een ketoacidose (verzuring van het hele lichaam). Uw kat moet zo snel mogelijk worden opgenomen voor infuus en kaliumcorrectie. Pas als het kaliumgehalte goed is, mag uw kat insuline krijgen toegediend.

Andere complicaties bij suikerziekte

  • Katten met een slecht gereguleerde suikerziekte kunnen beschadigingen van de zenuwen en bloedvaten krijgen. Katten kunnen blind worden en door hun achterpoten zakken (de hielen raken de grond). Wonden genezen trager.
  • Alle katten met suikerziekte hebben een vergrote kans op een bacteriële blaasontsteking of nierbekkenontsteking.

 

Bron: Medisch centrum voor Dieren Amsterdam